Laatste update: 23-2-2026 om 16:20 uur
Welkom in de vierde periode dit schooljaar, die loopt totaan de meivakantie. Ook nu heb je weer verschillende toetsmomenten. Op deze pagina vind je een overzicht van wat je allemaal gaat doen tot en met de vakantie. In deze periode werk je met boek 6 (op de voorkant een meisje met rood haar, een rugzak en een roodpaars geblokt overhemd).
A (vs9hvp4a) idioomtoets 4
In elke periode leer je een hoop nieuwe woorden. Hoe meer woorden je kent, hoe gemakkelijker je Duits spreekt en leest. Het thema in deze periode is de Duitse politieserie, dus ook een woordenlijst die daarop aansluit. De woordjestoets is ergens in de week van 30 maart - 3 april 2026
1 der Kriminalfall – de misdaadszaak
2 die Spur – het spoor, de aanwijzing
3 der Täter – de dader
4 das Opfer – het slachtoffer
5 der Verdächtige – de verdachte
6 die Zeuge – de getuige
7 das Verbrechen – het misdrijf
8 die Straftat – de strafbare daad
9 die Untersuchung – het onderzoek
10 das Alibi – het alibi
11 die Vernehmung – het verhoor
12 der Kommissar – de commissaris
13 die Polizei – de politie
14 das Gericht – de rechtbank
15 der Anwalt – de advocaat
16 der Richter – de rechter
17 das Geständnis – de bekentenis
18 die Handschellen – de handboeien
19 der Tatort – de plaats delict
20 die Strafe – de straf
21 die Waffe - het wapen
22 ermitteln – onderzoeken, speuren
23 verhören – verhoren
24 verhaften – arresteren
25 bestrafen – straffen
26 verteidigen – verdedigen
27 gestehen – bekennen
28 beschuldigen – beschuldigen
29 überwachen – observeren, bewaken
30 erfolgen – vervolgen, achtervolgen
31 fliehen – vluchten
32 stehlen – stelen
33 ermorden – vermoorden
34 bedrohen – bedreigen
35 entkommen – ontsnappen
36 verbergen – verbergen
37 aufklären – ophelderen (een zaak)
38 lügen – liegen
39 schweigen – zwijgen
40 bezeugen – getuigen
41 festnehmen – aanhouden
42 verdächtig – verdacht
43 schuldig – schuldig
44 unschuldig – onschuldig
45 gefährlich – gevaarlijk
46 brutal – brutaal, gewelddadig
47 geheim – geheim
48 kriminell – crimineel
49 illegal – illegaal
50 mörderisch – moorddadig
51 unsicher – onzeker
52 gewissenlos – gewetenloos
53 korrupt – corrupt
54 gewalttätig – gewelddadig
55 nervös – nerveus
56 ehrlich – eerlijk
57 heimlich – stiekem
58 spannend – spannend
59 mysteriös – mysterieus
60 unauffällig – onopvallend
61 grausam – wreed
B (vs9hvp4b) Bijvoeglijke naamwoorden
In deze periode maak je (opnieuw) kennis met een lastig onderwerp, dat ook weer deels te maken heeft met de al eerder behandelde naamvallen: de bijvoeglijke naamwoorden. Kijk hiervoor ook op pagina 170 en 171 van je boek. Je toets hierover heb je vlakvoor de meivakantie en vlak voor je mondeling. ( week van 13 tot 17 april).
C (vs9hvp4c) een persoon beschrijven
Deze periode gaat over criminaliteit, veiligheid en politie. In dat kader leer je om een persoon te beschrijven. Stel dat je ooit getuige bent van een misdaad en je wordt gevraagd om te getuigen, dan weet je nu wat je kan zeggen. Tijdens het mondeling krijg je drie foto's waarop een persoon staat. Deze persoon moet je kunnen omschrijven aan de hand van hoe diegene eruit ziet en wat hij of zij draagt. Leer en combineer de volgende zinnen.
Let op: is de verdachte een man, dan zeg je ER (hij). Is de verdachten een vrouw, dan zeg je SIE (zij). Zie je in een zin een /, dan kies je steeds het juiste woord.
1 er/sie ist ein Man/eine Frau
(hij/zij is een man/een vrouw)
2 er/sie ist ungefähr ........ Jahre alt
(hij/zij is ongeveer...... jaar oud)
3 er/sie ist schwarz/dunkel/hellhäutig
(Hijj/zij is zwart/donker/blank)
4 er/sie hat kurze/lange schwarze/blonde/braune/rote/blaue/grüne und glatte/lockige Haare. Er/sie hat Zöpfe/einen Pferdeschwanz/hat eine Glatze
(Hij/zij heeft lang/kort zwart/blond/bruin/rood/blauw/groen stijl/krullend haar. Hij/zij heeft vlechten/een paardenstaart/een kaal hoofd)
5 Er/sie trägt eine Brille/Ohrringe/eine Kette/ein Kopfhörer/ein Hut/eine Mütze/Handschuhe
(Hij/zij draagt een bril/oorbellen/een ketting, een koptelefoon/een hoed/handschoenen)
6 er/sie trägt ein t-shirt/Hemd/ pullover/eine Jacke/ein nettes Anzug. Die Farbe ist rot/blau/lila/gelb/grün/weiß/schwarz/grau
(Hij/zij draagt een t-shirt/overhemd/trui/een jas/een net pak. De kleur is rood/blauw/paars/geel/groen/wit/zwart/grijs)
7 er/sie trägt jeans/ein Hose/ein Kleid und rote/blaue/lila/gelbe/grüne/weiße/schwarze/graue Schuhe/Stiefel
(Hij/zij draagt een spijkerbroek/een broek/een jurk en rode/blauwe/paarse/gele/groene/witte/zwarte/grijze schoenen/laarzen)
8 er/sie sprach mit einem Niederländischen/deutschen/türkischen/marokkanischen/ausländischen Akzent
(Hij/zij sprak met een Nederlands/Duits/Turks/Marrokaans/buitenlands accent)
9 er hat einen Schnurrbart (und) / einen Bart
(Hij had een snor (en) / een baard)
10 er/sie sah wütend/freundlich/traurig/unauffällich aus
(Hij/zij zag er boos/vriendelijk/verdrietig/onopvallend uit)
(vs9hvp4lk) Themaweek Duitse Krimi's
Politieseries zijn enorm populair in Duitsland. Titels als Tatort, der Alte, Derrick, Polizeiruf en Wolf hebben heel lang gelopen en sommige zijn nog steeds te zien. De politieserie Tatort loopt bijvoorbeeld al meer dan 30 jaar en er zijn reeds meer dan 1000 afleveringen van 1.5 uur per aflevering. Er zijn kroegen waar de nieuwste aflevering op groot scherm wordt vertoond en waar mensen speciaal naartoe komen om te kijken. Tijdens de themaweek leer je alles over het fenomeen Krimi (Duits voor politieserie). We kijken twee afleveringen van Tatort én je leert de belangrijkste woorden en begrippen uit politieseries.